Motorrijders
Motorrijders zijn een beetje zoals wijnliefhebbers, kattenmensen en mensen die vrijwillig aan een halve marathon meedoen: van buiten lijken ze één groep, maar van binnen zijn het minstens zeventien stammen, drie geloofsovertuigingen en een handvol persoonlijke trauma’s op wielen.
Neem de . Dat is het type dat eruitziet alsof hij elk moment door de Sahara kan trekken, terwijl hij in werkelijkheid onderweg is naar een terras in Drenthe. Zijn motor heeft aluminium koffers ter grootte van kleine studentenkamers, mistlampen voor een humanitaire missie en banden waarmee je theoretisch door modder, grind, sneeuw en het einde der tijden kunt rijden. In de praktijk staat hij vooral netjes geparkeerd naast een cappuccino. Maar wél buiten. Want avontuur.
Dan is er de . Die koopt niet zomaar een motor, maar een compleet geluidslandschap. Je hoort hem al drie dorpen voordat je hem ziet, wat ergens ook attent is. Hij rijdt niet, hij arriveert. Alles aan hem zegt: vrijheid, asfalt, baardolie en een lichte ruzie met een gehoorapparaat in de toekomst. Zijn motor glimt alsof hij ermee slaapt. En misschien doet hij dat ook. Ik ga niet oordelen. Er zijn slechtere relaties.
De is weer een heel ander dier. Dat is iemand die een machine bestuurt alsof hij persoonlijk ruzie heeft met luchtweerstand. Zo’n motor ziet eruit als een woedende paperclip in racestickers en de bestuurder ligt erop gevouwen als een opgevouwen campingstoel met ambitie. Zelfs stilstaand oogt hij gehaast. Alsof hij bij het stoplicht denkt: kom op mensen, we kunnen hier ook gewoon állemaal 240 rijden en dan zien we wel wie er overblijft.
En dan heb je de . Die heeft een motor met karakter, wat meestal betekent dat er dingen aan rammelen die niet zouden moeten rammelen. Hij praat over “pure beleving” en “echte machines”, wat charmant is, totdat hij twintig minuten bezig is om hem aan de praat te krijgen op een parkeerplaats terwijl omstanders doen alsof ze niet kijken. Oude motoren zijn een beetje als oude artiesten: prachtig, iconisch, en af en toe onredelijk in hun eisen.
De is de mens die werkelijk overal op voorbereid is. Regenpak? Ja. Extra handschoenen? Natuurlijk. Thermo laag? Twee. EHBO-set, energiereep, routeboek, flesje water, bandenreparatiespul en iets wat verdacht veel lijkt op een opvouwbare pollepel? Uiteraard. Als de beschaving vannacht instort, overleeft niet de prepper, maar Henk op zijn BMW met topkoffer. Die man kan vanaf een parkeerhaven in Zuid-Limburg een nieuw Europa opbouwen.
Daar tegenover staat de -. Een uitstekend mens. Ook een eerlijk mens, eigenlijk. Die kijkt niet naar de kalender maar naar de lucht. Zeventien graden, zon, geen wind, geen spat regen in een straal van honderd kilometer? Helm op, glimlach aan, leven is prachtig. Maar zodra er één wolk verschijnt die enigszins denkt aan miezer, verdwijnt hij sneller dan gratis bitterballen op een bedrijfsborrel. En ergens snap ik dat. Niet iedereen hoeft spiritueel te groeien in natte sokken.
De is ook een fascinerend type. “Het is een motorscooter,” zegt hij dan, met de ernst van iemand die zojuist een dissertatie verdedigt. En eerlijk: hij heeft een punt. Hij zit droog, heeft opbergruimte, hoeft niet te hannesen met een kettingbroekconstructie uit de hel, en rijdt fluitend voorbij aan mensen die op een kale naked bike hun nieren staan te marineren in novemberwind. Wie is hier dan werkelijk de winnaar? Precies.
Ook prachtig is de . Dat is iemand die naar een perfect goed werkende motor kijkt en denkt: nee, dit moet persoonlijker, onpraktischer en aanzienlijk ongemakkelijker. Vervolgens haalt hij er spatborden af, zet er een zadel op ter grootte van een beschuit, verplaatst knipperlichten naar een plek waar alleen vleermuizen ze kunnen vinden, en noemt het minimalistisch. Minimalistisch is vaak gewoon een chic woord voor “zonder enig respect voor de onderrug”.
En dan de , die nog steeds veel te vaak wordt bekeken alsof ze spontaan uit een natuurdocumentaire is gestapt. Mannen van middelbare leeftijd vragen dan dingen als: “Is die echt van jou?” Nee Kees, ze heeft hem toevallig uit de grabbelbak bij de supermarkt. Natuurlijk is die van haar. Ze rijdt, ze stuurt, ze schakelt, ze tankt en ze parkeert hem waarschijnlijk ook nog strakker achteruit in dan jij. Het wonderlijke is niet dat vrouwen motorrijden. Het wonderlijke is dat sommige mensen daar nog steeds van opkijken.
Want motorrijders zijn uiteindelijk vooral herkenbaar aan hun eigenaardige overtuiging dat comfort overschat wordt, dat wind een persoonlijkheidsvormende factor is en dat een ritje van drie uur volkomen gerechtvaardigd is zolang er onderweg appeltaart wordt gegeten in een dorp met één kerk en een twijfelachtige rotonde.
Ze groeten elkaar ook, wat ik altijd ontroerend vind. Dat kleine handje dat groet, die minuscule erkenning: ik zie jou, jij ziet mij, wij hebben allebei vrijwillig gekozen voor een voertuig dat bij regen meteen voelt als een ingewikkelde straf van hogerhand. Het is bijna teder.
En misschien is dat precies wat motorrijders zo leuk maakt. Niet het leer, niet het lawaai, niet de merkentrouw alsof het om voetbalclubs gaat. Maar het feit dat ze allemaal, ieder op hun eigen absurde manier, achter hetzelfde aanrijden: een beetje vrijheid, een beetje herrie, en heel even het gevoel dat de wereld ophoudt bij de bocht na de volgende rotonde.
Best romantisch eigenlijk, op een manier die naar benzine ruikt.